Monitor Agrofood
Provincie Noord-Brabant

Ter toelichting

Ambitie

De provincie Noord-Brabant wil in 2020 tot de meest innovatieve, duurzame en slimme agrofoodregio's van Europa behoren. Met een agrofoodsector die voedsel produceert met respect voor natuur en milieu én voor gezondheid en welzijn van mens en dier.

Agrofood gaat over alles wat de agrarische sector voortbrengt en waar consumenten van genieten. Van de productie tot het bewerken, verwerken, vermarkten en distribueren ervan. Brabant blinkt op dit gebied wereldwijd uit qua innovatie, kennis en productiviteit. Agrofood is op High Tech na de grootste producerende bedrijfstak van Brabant qua werkgelegenheid en export.

Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood

In de gezamenlijke agenda van provincie en betrokken organisaties staan maatregelen en acties om te komen tot een duurzame en innovatieve agrofoodketen. De UBA richt zich op:

  • Heldere kaders vaststellen en handhaven
  • Overlast verminderen
  • Gezondheid helpen bevorderen
  • Circulaire Economie stimuleren (sluiten van kringlopen)
  • Innovatie aanjagen
  • Verbinden en aanjagen (FoodUP!)

In de keten werken spelers samen om de ambities te bereiken. Van de boeren en toeleveranciers tot en met de voedselverwerkings- en verpakkingsindustrie, de logistiek, retail en horeca.

De monitor

In de UBA en ook in deze monitor wordt een drietal sporen onderscheiden, die de gebruikelijke driedeling, People, Planet, Profit representeren:

  1. Milieu (Planet)
  2. Economie en innovatie (Profit)
  3. Vertrouwen en samenwerking (People)

Per spoor wordt aan de hand van een paar thema's een beeld gegeven van de huidige situatie, en waar mogelijk de trend. In een korte conclusie wordt per thema een eerste concluderende beschouwing gegeven op het gepresenteerde cijfer/beeld.

Om de ontwikkelingen inzichtelijk te maken, zijn in deze rapportage de ontwikkelingen op vrij hoog niveau (regio/ provincie) gepresenteerd. Hierdoor zijn de ontwikkelingen makkelijk te begrijpen, tegelijkertijd gaat er op deze manier ook informatie verloren. Daar waar mogelijk verwijzen we naar meer gedetailleerde gegevens. De geïnteresseerde lezer kan daarmee specifieke informatie tot zich nemen. In de eerste plaats verwijzen we telkens naar de relevante gegevens uit het infoboard agrofood. Maar ook verwijzen we naar andere bronnen om de lezer in staat te stellen zelf een oordeel te vormen.

Tot slot verwijzen we waar mogelijk en nuttig naar andere bronnen en gegevens. Daarbij kunt u denken aan achtergronden bij sommige gegevens of verwijzingen naar genoemde initiatieven.

Hoewel de sporen en thema's binnen die sporen afzonderlijk worden weergegeven, is wel sprake van nauwe relaties. De monitor heeft kenmerken van een schering- en inslagmodel. Ieder thema binnen een spoor heeft relaties met thema's bij andere sporen. Het onderscheid tussen sporen en thema's heeft dan ook louter een praktisch doel. De werkelijkheid laat zien dat er grote samenhang bestaat tussen verschillende ontwikkelingen. In het samenvattende hoofdstuk proberen we die samenhang weer terug te halen.

Totstandkoming

Deze monitor is tot stand gekomen door een constructieve samenwerking van onder andere GGD, ZLTO en BMF. Ook hebben we verschillende deskundigen naar concepten laten kijken. Hun opmerkingen en suggesties hebben de monitor verbeterd. Desalniettemin blijft de provincie verantwoordelijk voor de inhoud van deze monitor.

Status

Met nadruk stellen we dat de huidige versie van de monitor gezien moet worden als een 0-meting en een eerste versie. Veel van de ambities die in de UBA zijn verwoord laten zich lastig vangen in een enkel gegeven. We hebben er voor gekozen om een beperkt aantal gegevens te presenteren in de monitor om het overzicht te bewaren. Door te verwijzen naar achtergrondgegevens hebben we recht willen doen aan beide behoeften. Daarbij hebben we zoveel mogelijk gebruik gemaakt van reproduceerbare beschikbare gegevens.

Deze versie van de monitor laat zien hoe provincie en partners de uitvoering van de UBA willen volgen. Voor veel van de indicatoren hebben wij al data verzameld en is er een eerste nulmeting beschikbaar. Op een aantal plekken zal voor de volgende monitor nog bekeken worden of aanvullende gegevens mogelijk zijn.

Samenvatting

De Brabantse agrofood-sector is nadrukkelijk in beweging. Dat is het beeld dat uit deze monitor naar voren komt, als we kijken naar de drie onderscheiden sporen:

  • Milieu
  • Economie en innovatie
  • Vertrouwen en samenwerking

In deze monitor wordt langs de genoemde drie sporen de ontwikkeling van de veehouderij en de bredere agrofoodsector in beeld gebracht.

Op het terrein van milieu zijn verschillende ontwikkelingen zichtbaar. Wanneer stallen worden uitgebreid is oog voor duurzaamheid en het sluiten van kringlopen. Ook in de emissie is een licht dalende trend waar te nemen. Wel maken burgers zich steeds meer zorgen over hun gezondheid in relatie tot de veehouderij.

Rondom het economisch perspectief van de agrofood-sector zien we een verschuiving. De activiteiten in het primaire deel van de agrarische sector nemen af, terwijl de activiteiten in de verwerking juist toenemen. Dit heeft effect op de werkgelegenheid die daarmee afneemt, terwijl omzet en export juist groeien. We zien ook hier dat de veehouderij aan het veranderen is. Ondernemers kiezen ervoor te stoppen of juist zich te gaan specialiseren.

Het derde spoor van de UBA, het verbeteren van onderling vertrouwen, laat zich lastig in kaart brengen. Opvallend is dat de waardering van de burger voor de agrarische ondernemer in de directe omgeving positiever is, dan voor de sector in totaliteit. Lokale samenwerking is op veel manieren tot stand te brengen. Gedacht kan worden aan multifunctionele landbouw, zoals boerderijwinkels, zorgboerderijen etc. In de monitor wordt gekeken naar andere vormen van samenwerking tussen burgers en agrarische ondernemers. Deze lokale samenwerking tussen agrarische ondernemers en anderen, komt in beperkte mate van de grond. Het onderliggende onderzoek laat zien dat daar waar de samenwerking van de grond is gekomen er nog veel te winnen is, maar ook dat samenwerking niet vanzelf ontstaat. En dat daar soms ook een zetje nodig is van organisaties of de overheid.

Conclusie

De ontwikkelingen rond de Brabantse agrofood-sector zijn zeer divers van aard en in het algemeen laten ze een ontwikkeling in de gewenste richting zien.

Relevante gegevens

Relevante achtergrondinformatie

De emissie van fijnstof en ammoniak wordt door het RIVM inzichtelijk gemaakt. Voor ammoniak is het Compendium van de leefomgeving en voor fijnstof het Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).

Emissies uit veehouderij

De provincie Noord-Brabant wil een verdere afname van de belasting van de omgeving door de veehouderij. Daar waar dieren in bepaalde gebieden geconcentreerd worden gehouden, kan de belasting van de omgeving groot zijn. Dit wordt veroorzaakt door de emissie van stoffen, zoals ammoniak, geur en fijnstof. Omdat de emissie van deze stoffen niet alleen hinderlijk, maar ook schadelijk voor milieu en natuur is, is het beleid gericht op het verminderen van deze emissies. Emissies geven een indicatie van de belasting van de omgeving. Zo zijn bepaalde natuurtypen gevoeliger voor bepaalde uitgestoten stoffen. En voor de mens geldt ook zijn/haar afstand tot de bron. Het berekenen van emissies is daarmee een methode met beperkingen. Hinder (en dan met name ervaren geurhinder) en milieubelasting zijn hiermee onvoldoende belicht.

Conclusie

De emissie van ammoniak uit de veehouderij neemt op provinciaal niveau al een aantal jaren achtereen af. Sinds 2016 lijken de emissies zich te stabiliseren. De emissie van fijnstof blijft vrijwel onveranderd. De ervaren ernstige geurhinder door inwoners van Brabant is sinds 2009 afgenomen. Wel is er sinds 2012 een lichte stijging in met name het oosten van Brabant waar te nemen.

Figuur 1: a) Ontwikkeling emissie ammoniak en fijnstof uit veehouderij in Brabant b,c,d) Ervaren ernstige geurhinder door inwoners van Brabant per gemeente in 2009, 2012 en 2016 (bron: berekening op basis bestand veehouderijbedrijven BVB; GGD Brabantscan).

Ontwikkelingen Beleving Gezondheid

Het provinciale beleid is er op gericht dat veehouderij ingepast is in de omgeving. Het is lastig vast te stellen wanneer de veehouderij goed is ingepast in de omgeving. De mate waarin burgers bezorgd zijn over de invloed van de omgeving op de gezondheid biedt hiervoor een indicatie. De GGD heeft dit provinciebreed in kaart gebracht. Er is gevraagd naar de bezorgdheid over dierziekten die overdraagbaar zijn op de mens (Q-koorts) resistente bacteriën (MRSA) en fijnstof.

Omdat zowel inwoners van veehouderijgebieden, als inwoners van gebieden waar nauwelijks dieren worden gehouden, zijn ondervraagd, zijn de hier gepresenteerde gegevens nadrukkelijk een gemiddelde. Per gebied zijn deze gegevens dan ook verschillend (zie ook de GGD Brabantscan).

Conclusie

De bezorgdheid over veehouderij-gerelateerde gezondheidsaspecten als Q-koorts en MRSA neemt toe. Uit de laatste meting van de GGD blijkt dat één op de vier respondenten zich zorgen maakt. Vier jaar eerder (in 2012) was dat een op de vijf. Ook hier blijkt dat met name respondenten in gebieden waar Relevante cijfers veel vee wordt gehouden zich aanmerkelijk meer zorgen maken.

Figuur 2: Bezorgdheid onder inwoners over Q-koorts, MRSA en fijnstof in de GGD-regio's Hart voor Brabant en Brabant-Zuidoost (bron: GGD Brabantscan)

Relevante cijfers

Relevante achtergrondinformatie

Ontwikkelingen Duurzame Uitbreiding

Bij uitbreiding van veehouderijbedrijven streeft de provincie ernaar om veehouders nadrukkelijk te stimuleren om bij de uitbreiding van bedrijven niet alleen te voldoen aan de wettelijke milieu-eisen, maar ook te investeren in maatregelen waardoor bedrijven zich ontwikkelen naar zorgvuldige veehouderij. De provincie heeft daarvoor een maatlat, de Brabantse Zorgvuldigheidsscore, ontwikkeld. Wanneer voldaan wordt aan de wettelijke eisen, scoort men een 6; door te voldoen aan de provinciale extra’s, waaronder het behalen van ketencertificaten, scoort men een 7. Ambitie is om bedrijven nog hoger te laten scoren. Omdat de regelgeving wordt aangepast en certificaten zich blijven ontwikkelen, wordt ook de BZV regelmatig aangepast. Op dit moment (februari 2018) bedraagt de minimaal te behalen BZV-score 7,25.

Conclusie

Door de systematiek van de BZV wordt bij uitbreidingen van veehouderijbedrijven in alle gevallen voldaan aan de minimale BZV-score (7). Met name in de varkenshouderij wordt gemiddeld een score hoger dan een 7 behaald. Opgemerkt wordt wel dat er geen stimulans is om alle maatregelen te beschrijven en dat niet is uit te sluiten dat een aanvrager voor een uitbreiding alleen die maatregelen beschrijft die minimaal nodig zijn om een 7 te scoren. De werkelijke score kan dus hoger zijn, wanneer extra maatregelen ook genomen worden.

Figuur 3: Score van de sectoren op de maatlat (BZV 2.0) (bron: provincie Noord-Brabant 2017) NB in grafiek ontbreken gegevens over legkippen, er zijn geen uitbreidingen aangevraagd die beoordeeld zijn onder BZV 2.0

Relevante cijfers

Relevante achtergrondinformatie

Begin 2017 is samen met een groot aantal partners en door de WUR ontwikkeld meetinstrument beschikbaar gekomen, de Kringloop-Toets. Dit instrument is geschikt om de effecten (bijvoorbeeld de beperking van invoer van veevoer) op regionale en lokale schaal aan te tonen. De uitwerking van meer geschikte indicatoren voor het sluiten van kringlopen zal in 2018 door de provincie worden opgepakt.

Ontwikkelingen Sluiten Kringlopen

De productie en verwerking van agrofood-producten kan worden gezien als een kringloop. Het beleid van de provincie is gericht op het sluiten van de kringloop op een lager geografisch schaalniveau. Het sluiten van de kringloop op West-Europees schaalniveau zou mogelijk moeten zijn. Het denken in kringlopen stimuleert het nadenken over de wijze van produceren. Waar worden de grondstoffen geproduceerd en hoe worden afvalstoffen verwerkt. Met name op het terrein van de mineralenbalans is hierover al het een en ander bekend. Door te kijken naar dit onderdeel van de kringloop kan een eerste indruk worden verkregen van de ontwikkeling van de kringloop.

Conclusie

Binnen Brabant is de benuttingsgraad van zowel stikstof als fosfaat boven de 100%. Dat betekent dat er meer mest wordt geproduceerd dan er plaatsingsruimte beschikbaar is. Dit overschot aan mineralen moet worden verwerkt en/of geëxporteerd (ook naar andere provincies in Nederland). Inzoomend op de landbouwgebieden in Brabant, Zuidwest Brabant (ZwB) en het Zuidelijk Veehouderijgebied (ZV) (het oostelijk deel van Brabant), dan is te zien dat de benuttingsgraad in Zuidwest Brabant lager is dan in Nederland, terwijl het voor het Zuidelijk Veehouderijgebied deze juist hoger ligt. Anders gezegd, de productie van mineralen in Zuidwest Brabant ligt lager dan de plaatsingsruimte, terwijl in het Zuidelijke Veehouderijgebied er juist te veel mineralen worden geproduceerd (in verhouding tot de plaatsingsruimte).

Figuur 4: Benuttingsgraad mineralen (fosfaat en stikstof) in Nederland, Noord-Brabant en de veehouderijgebieden Zuidwest-Brabant (ZwB) en het Zuidelijk Veehouderijgebied (ZV, Oost-Brabant) 2010-2015 (bron: CBS)

Economische Ontwikkelingen Agrofoodcluster

De provincie streeft naar een economisch gezonde agrarische sector in Noord-Brabant. Dat betekent dat de sector in kan spelen op economische ontwikkelingen en een toekomst heeft. Omdat de agrarische sector steeds nadrukkelijker verweven wordt met andere sectoren, zoals de traditionele voedselverwerking, maar steeds vaker ook de biobased-industrie, is het ook interessant om de ontwikkelingen in de bredere agrofood-sector (primaire en verwerkende sector) in ogenschouw te nemen.

Conclusie

De werkgelegenheid in de agrarische sector (de primaire sector) laat een duidelijke daling zien. De toegevoegde waarde laat ondanks fluctuaties een iets dalende lijn zien, terwijl de uitvoerwaarde juist stijgt. Kijkend naar het Brabantse agrofoodcluster is te zien dat deze minder krimpt voor wat betreft de werkgelegenheid en voor de toegevoegde waarde en de uitvoerwaarde een groei laat zien.

Figuur 5: Ontwikkeling Werkgelegenheid, Toegevoegde waarde en Uitvoerwaarde van de Brabantse agrarische sector (primaire productie) en totale agrofoodcluster (Totaal) (bron: Analyse topsector Agri & Food, (CBS), Vestigingenregister Noord-Brabant, bewerking Provincie Noord-Brabant.)

Bedrijfsstrategie veehouderij

Het provinciale beleid stimuleert agrarische ondernemers na te denken over de toekomst van hun onderneming. Achterliggend uitgangspunt daarbij is dat het niet nadenken over de toekomst, gevolgen heeft voor de levensvatbaarheid van een onderneming. In de vorm van een rotonde met een aantal afslagen zijn ondernemers geprikkeld te kiezen voor een afslag; stoppen, produceren voor een niche (direct contact met consument), de Europese kwaliteitsmarkt (aansluiten bij een keurmerk of keten) of een expliciete keuze maken voor de wereldmarkt. Enigszins verwarrend vallen in de laatste categorie ook de ondernemingen waar geen expliciete keuze is gemaakt.

Conclusie

Van de veehouderijen die bewust een keuze maken, kiest een zesde voor stoppen. Een kleiner deel van de veehouderijen kiest voor nichemarkten. Zij hebben een directe band met de consument, bijvoorbeeld door rechtstreeks aan de consument te leveren (boerderijwinkel, webshop etc). Een kwart van de veehouders produceert onder een ketenkwaliteitssysteem. Ongeveer de helft van de veehouderijen kiest voor de zogeheten wereldmarkt of maakt (nog) geen expliciete keuze. Opgemerkt moet worden dat dit niet opgaat voor de melkveehouderijen. Melkveehouders laten zich niet goed indelen in de hiervoor geschetste systematiek.

Figuur 6: Procentuele verdeling van de ondernemers (veehouders) op de afslagen per 2016 (bron: ZLTO)
NB: Melkveehouderijen zijn in dit figuur niet opgenomen. Als gevolg van de methodiek, zijn deze niet in te delen naar de bovenstaande afslagen.

Ontwikkeling keurmerken / ketenconcepten

In het beleid heeft de provincie vastgesteld dat aanpassing van bestaande productiesystemen binnen de veehouderij noodzakelijk is voor een perspectiefrijke toekomst voor de sector. Het stimuleren om keuzes te maken over het toekomstperspectief hoort hier nadrukkelijk bij.

Een mogelijkheid om onderscheid te maken, is het aansluiten bij keurmerken en/of ketencertificering. Hiervoor zijn inmiddels verschillende mogelijkheden. Binnen Nederland worden vele keurmerken gehanteerd. Drie van deze keurmerken kennen inmiddels een brede acceptatie, waardoor de ontwikkeling van deze keurmerken een goede afspiegeling geeft van de totale ontwikkeling.

Naast de bekende keurmerken zijn er ook koplopers, producenten die hun producten met een eigen label onderscheidend weten te maken, zoals de Vegetarische Slager, Keten Duurzaam Varkensvlees, Rondeel, Veldleeuwerik en Erkend Streekproduct. Daarnaast zijn er ook producenten die via korte ketens aan de consument leveren, zoals boerderijwinkels, Boerschappen en Herenboeren.

Conclusie

Het marktaandeel van keurmerken en ketenconcepten in de totale consumptieve bestedingen is in de laatste jaren gegroeid. Het marktaandeel bedroeg in 2015 7%, in 2016 is dat 8%. De, in termen van omzet, grotere keurmerken, groeien. Met name het Beter Leven-keurmerk laat een forse groei zien.

Figuur 7: Besteding in miljoen € in Nederland aan de grotere consumentenconcepten (bron: Monitor Duurzaam Voedsel).

Innovatie

De provincie Noord-Brabant wil in 2020 tot de meest innovatieve, duurzame en slimme agrofoodregio's van Europa behoren. Daarvoor is innovatie van belang. Innovatie in alle schakels van de keten. Een van de innovatieve aspecten is het produceren in consumentenconcepten/ keurmerken. Maar innovatie kan ook verder gaan in de toepassing van andere procestechniek etc.

Niet alle bedrijven innoveren, bedrijven kunnen ook nieuwe ontwikkelingen volgen of toepassen. Dit volgen kan bijdragen aan de innovativiteit van de totale sector.

Door de WUR wordt jaarlijks onderzoek gedaan naar de innovatie van land- en tuinbouwbedrijven. Deze innovatiemonitor geeft een beeld van de innovativiteit van de primaire sector op landelijk niveau. Uitsplitsen naar het provinciale schaalniveau is nog niet mogelijk. Onderstaand zijn de resultaten van de meest recente monitor weergegeven.

Conclusie

Het aantal bedrijven in de land- en tuinbouwsector dat zich bezighoudt met innovatie neemt sinds 2011 (op landelijk niveau) toe. Het aantal bedrijven dat als innovator gekenmerkt wordt, neemt af, terwijl volgers juist toenemen.

Figuur 8: Aantal bedrijven (in Nederland) in de land- en tuinbouw naar fase van innovatie 2009-2014 (bron: WUR)

Ontwikkeling Vertrouwen

Mede als gevolg van uitbraken van dierziekten en de mega-stallendiscussie is het vertrouwen van burgers in de agrarische sector onder druk komen te staan. Voor een goede dialoog is vertrouwen echter noodzakelijk. Een van de actiepunten uit de UBA is om het onderling vertrouwen te verbeteren.

Conclusie

Hoewel het niet mogelijk is om ontwikkelingen in beeld te brengen, valt wel op dat burgers een duidelijk onderscheid maken tussen de ondernemer(s) in de nabijheid en agrarische ondernemers in het algemeen. Het vertrouwen in de veehouder in de woonomgeving is groter dan in de sector in zijn algemeenheid.

Figuur 9: Vertrouwen in veehouders in de buurt en in de veehouderij (2017) (bron: Brabantpanel PON; N=179/790)

Ontwikkeling Lokale Samenwerking

Omdat de relatie tussen de agrarische bedrijvigheid en de omgeving vooral een lokale relatie is, is samenwerking op lokaal niveau wenselijk. Dergelijke vormen van lokale samenwerking zijn echter niet vanzelfsprekend, maar wel noodzakelijk. Voor vertrouwen, inzicht in consumentenverwachtingen en dergelijke. Naast deze vormen van samenwerking, kan de samenwerking ook gestalte krijgen in de vorm van multifuntionele landbouw, zoals zorgboerderijen, camperen bij de boer etc. In de UBA stimuleren we deze lokale samenwerking.

Conclusie

We zien op verschillende plaatsen in Brabant lokale samenwerkingsinitiatieven waarbij burgers en agrariërs een gemeenschappelijke visie ontwikkelen, die soms ook tot nieuwe agrarische activiteiten leiden. Enkele daarvan zijn nader in beeld gebracht. De initiatieven zijn zeer divers van karakter. Als er een overeenkomst genoemd moet worden, is dat het begon met het engagement een groepje burgers (of het nu omwonenden, agrariërs, volksvertegenwoordigers of bestuurders betreft) die een ambitie delen en samen het doorzettingsvermogen opbrachten om een nieuwe weg in te slaan. Meestal is de aanleiding gelegen in concrete, lokale ontwikkelingen. In de meeste gevallen hielpen ook maatschappelijke partijen en of overheden mee om de initiatieven van de grond te krijgen en verder te brengen.

Figuur 10: Initiatiefnemers van een aantal samenwerkingsverbanden (bron: BMF, 2017)

Relevante data

In de GGD Brabantscan is meer informatie te vinden over de bezorgdheid over veehouderijbedrijven in de verschillende GGD regio’s en gemeenten.

Relevante achtergrondinformatie

Ontwikkelingen vertrouwen in borging gezondheid in relatie tot veehouderij

Gezondheid en veehouderij zijn de laatste jaren steeds meer in de belangstelling komen te staan van de inwoners en gebruikers van het platteland. Daarom is gekeken naar de bezorgdheid van burgers over verschillende typen veehouderijen. De GGD heeft dit provinciebreed in kaart gebracht.

Conclusie

Een deel van de Brabanders maakt zich zorgen over de gezondheid in relatie tot de veehouderij. Wanneer wordt ingezoomd naar het niveau van gemeenten, blijkt dat dit beeld veel gedifferentieerder ligt. In gebieden met veel veehouderijen, zijn de zorgen veel groter. Waar op provinciaal niveau 1 op de vijf burgers zich zorgen maakt, is dat in specifieke gebieden soms fors hoger.

Figuur 11: Bezorgdheid over veehouderijbedrijf naar type (varkenshouderij, geitenhouderij) in Noord-Brabant (2016) (bron: GGD Brabantscan)